Galápagos zucht onder gevolgen El Niño

Na enkele jaren dreigend op de loer te hebben gelegen heeft El Niño eind 2015 keihard toegeslagen. En daarmee heeft El Niño 2015/16 zich op één lijn gezet met die van 1982/83 en 1997/98. In het najaar van 2015 deed El Niño zich al voelen, doordat het zeewater in de oostelijke Pacific sneller dan normaal opwarmde. In november 2015, op het hoogtepunt, was de temperatuur van het zeewater 4ºC hoger dan normaal. Die extreme situatie duurde echter slechts enkele maanden. In februari 2016 was al een duidelijke omslag merkbaar en in april en mei was zelfs sprake van een “ongekend snelle afkoeling”.

Zeeleguanen. Foto: F.J. Engelsma.

Maar, zoals De Volkskrant eerder al kopte, “El Niño is voorbij, de ramp nog niet”. De extreem hoge temperatuur van het zeewater heeft immers desastreuze gevolgen voor de zoogdieren, vogels en reptielen die qua voedsel afhankelijk zijn van het leven onder water. De hoge temperatuur van het zeewater belemmert namelijk de groei van één- en meercellige algen die aan de basis staan van belangrijke voedselketens. Met als gevolg gebrek aan plankton voor de planktoneters, onder andere vissen, gebrek aan groenalgen voor met name zeeleguanen en gebrek aan vis en inktvis voor vis- en inktviseters. En wat dat kan betekenen, weten wij van de voorgaande zware El Niño’s, die van 1982/83 en 1997/98.

In hun nieuwsbrief zette Galapagos Conservancy, de Amerikaanse “Vrienden”, onlangs op een rij hoe het tijdens de vorige extreme El Niño, die van 1997/98, een drietal soorten verging. Van de Galápagoszeeleeuw legde 48% het loodje, van de Galápagospinguin 66% en van de zeeleguaan zelfs 70%. Alle drie genoemde soorten hebben zich van die klap hersteld en met enig optimisme mag je dat ook ditmaal verwachten. Vooral bij die soorten die in grote getale op de Galápagos Eilanden voorkomen. Zoals de zeeleeuwpopulatie, die ongeveer 50.000 individuen telt. Maar wat te denken van de Galápagospelsrob, waarvan het aantal op hooguit de helft daarvan wordt geschat? Met 70% lijkt de zeeleguaan in 1997/98 het zwaarst getroffen te zijn, maar de grote aantallen waarin de soort voorkomt en zijn natuurlijke reactie op El Niño, waarover wij kort geleden al eens schreven (zie “Mogelijke gevolgen van El Niño”) geven aan dat ook de zeeleguaan zo’n ramp wel zal overleven.

Galapagospinguins. Foto: F.J. Engelsma.

Meer zorgen moeten wij ons echter maken over de Galápagospinguin, waarvan er nog geen 1.500 individuen op de eilanden van de archipel voorkomen. In 1997/98 werd daarvan dus ruim de helft weggevaagd. En wat te denken van de Galápagosaalscholver, een tweede kwetsbare soort die alleen op Isabela en Fernandina voorkomt en waarvan de populatie op 600 tot 800 broedparen wordt geschat? Daarmee zijn we dan meteen bij de visetende vogels beland, zoals de blauwvoet-, roodvoet- en maskergent, de Galápagosalbatros en beide soorten fregatvogels. Ook hun populaties zullen, net als in 1982/83 en 1997/98, een flinke tik krijgen. Zodra meer bekend wordt over de gevolgen van deze El Niño, komen wij erop terug.