Vriendendag 2014

Vriendendag 2014

Hieronder volgt een verslag van de  Vriendendag 2014, die plaatsvond op zaterdag 25 oktober in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, opgesteld door onze secretaris, Frans Engelsma. 

Openingswoord van de voorzitter, Prof. dr. Antoine Cleef

Opgericht in 1927, heeft het museum na een aantal verhuizingen in 1987 zijn intrek genomen in de monumentale villa Dijkzigt, in 1851-52 gebouwd in opdracht van de Rotterdamse reder Anthonie van Hoboken en sinds 1924 in handen van de Gemeente Rotterdam. Momenteel maakt het pand deel uit van het Museumpark. Na de opening, traditiegetrouw door Prof. Dr. Antoine Cleef, voorzitter van de stichting Vrienden van de Galápagos Eilanden, heet Prof. Dr. Jelle Reumer, directeur van het Natuurhistorisch Museum, de ca. 30 aanwezige Vrienden welkom in, wat hij noemt, de “huiskamer van het Natuurhistorisch” en schetst kort de historie, collectie en doelstellingen van het museum. En dat terwijl de namen van beroemde wetenschappers als Linnaeus, Cuvier, von Humboldt en Darwin hoog op de muur rondom gegrift op ons neerkijken. Ook staat groot op de muur een uitspraak van Theodosius Dobzhansky: nothing in biology makes sense except in the light of evolution. Het Natuurhistorisch vormt inderdaad een passend decor voor de hoofdmoot van deze Vriendendag, de lezing getiteld “Life between the Sea and Lava, Sea Lions, Fur Seals and Marine Iguanas in Galápagos” door Prof. Dr. Fritz Trillmich van de Vakgroep Diergedrag van de Universiteit van Bielefeld.

“Life between the Sea and Lava”

Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde combinatie, enerzijds zeeleeuwen & pelsrobben en anderzijds zeeleguanen. Natuurlijk, zeeleeuwen en pelsrobben zijn beide oorrobben en nauw verwant aan elkaar, maar wat hebben zeeleguanen, reptielen dus, met zeezoogdieren van doen? Gaandeweg de lezing van Professor Trillmich wordt dat echter steeds duidelijker. Alle drie soorten hebben als bij toeval de Galápagos eilanden “ontdekt”, een aantal miljoenen jaren na de vulkanische geboorte van de archipel.

Inleiding van Prof. dr. Jelle Reumer, directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam

En, niet minder belangrijk, zij voelden zich er klaarblijkelijk nog thuis ook, iets wat ongetwijfeld te maken heeft met de bijzondere levensomstandigheden die er heersen. Gelegen midden op de evenaar, zo’n 1.000 kilometer voor de westkust van Zuid-Amerika, kun je de Galápagos Eilanden nauwelijks tropisch noemen. De Humboldtstroom vanuit het zuiden en de Equatoriale onderstroom vanuit het westen botsen er op elkaar en zorgen ervoor dat koel, voedselrijk water vanuit de diepte opwelt. De wateren rond de Galápagos Eilanden zijn als het ware een koele, voedselrijke oase omgeven door de warme, voedselarme oceaan rondom.

Waar komen zij vandaan?

Steeds weer verbaas je je erover, hoe dergelijke soorten op een archipel als de Galápagos zijn terecht gekomen. De voorouders van de Galápagoszeeleeuw, een verkleinde uitgave van de Californische zeeleeuw die langs de westkust van Noord-Amerika van Mexico tot Canada voorkomt, moeten ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden vanuit hun noordelijk gelegen koele leefgebied overgestoken zijn en zich in de Galápagos Archipel gevestigd hebben. Waarschijnlijk was er juist in die tijd sprake van een ijstijd, zodat het zeewater koeler was dan normaal en zo die oversteek mogelijk maakte. Gelet op hun geschatte aantal nu, 50.000, was die oversteek in ieder geval succesvol.

De Galápagospelsrob, waarvan men het aantal op zo’n 25.000 schat,  is er heel wat later gearriveerd, waarschijnlijk nog maar enkele honderdduizenden jaren geleden, en zijn voorouders kwamen niet uit het noorden maar uit het zuiden. De soort is namelijk nauw verwant aan de Zuidelijke pelsrob, die voorkomt langs de kust van Zuid-Amerika, van Peru en Chili in het westen en Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië in het oosten. Opvallend is dat beide soorten een stuk kleiner zijn dan hun naaste verwanten, de Californische zeeleeuw en de Zuidelijke pelsrob.

De oorsprong van de zeeleguaan is moeilijker aan te duiden. Algemeen wordt aangenomen dat de zee- en landleguaan beide afstammen van een voorouder die verwant is aan de groene leguaan die algemeen voorkomt in Zuid- en Midden-Amerika en in West-Indië. Hoe beide soorten op de Galápagos verzeild zijn geraakt, daarover kun je alleen maar gissen. Het meest voor de hand liggende antwoord is “rafting” op een drijvende pluk vegetatie of op een te water geraakte tak of boomstam. En of die oversteek plaats vond vanaf de westkust van Zuid-Amerika of vanuit West-Indië is eveneens onduidelijk (ter hoogte van Midden-Amerika was enkele miljoenen jaren geleden nog een vrije doorgang tussen het Caribisch gebied en de Stille Oceaan).

Zijn zeeleeuw en pelsrob concurrenten van elkaar?

Twee soorten oorrobben, verwanten van elkaar dus die in hetzelfde gebied leven, zijn dat dan geen concurrenten van elkaar? Een ongeschreven wet in de biologie leert ons dat dat niet het geval zou moeten zijn; elk van beide soorten behoort immers zijn eigen “niche” te hebben. Als je beide soorten bestudeert, dan blijkt dat ook het geval te zijn. De Galápagoszeeleeuw is een algemene verschijning op de zandstranden van de Galápagos Eilanden, waar je ze bijna altijd in redelijk grote groepen aantreft. Galápagospelsrobben daarentegen kom je bepaald niet vaak tegen. Je moet ze weten te zitten en opzoeken, verscholen als ze leven op en vooral tussen de lavarotsen in de spatzone van de oceaan. Bovendien vind je hen nooit in grote groepen zoals zijn neef de zeeleeuw.

Ook het foerageergedrag van beide soorten vertoont verschillen. De Galápagoszeeleeuw jaagt overdag, terwijl de pelsrob met zijn opvallend grote ogen er vooral ’s nachts op uittrekt. Daarbij jaagt de zeeleeuw vooral op vis die hij tot op een diepte van zo’n 500 meter, dicht bij de zeebodem, probeert te verschalken. De pelsrob daarentegen duikt in open water tot een diepte van maximaal zo’n honderd meter en heeft het vooral voorzien op pijlinktvis. Opvallend is dat de pelsrob bij volle maan zijn voedsel tot op een diepte van die genoemde honderd meter zoekt, terwijl hij bij nieuwe maan niet dieper dan zo’n dertig meter duikt. Waarschijnlijk zeggen deze dieptes meer over hun prooi, de pijlinktvis die de gewoonte heeft om ’s nachts vanuit de diepzee omhoog te komen, dan over de pelsrob zelf. En door ’s nachts te jagen lijkt de kleine en daardoor kwetsbare pelsrob zich zo veel mogelijk te onttrekken aan het gevaar om ten prooi te vallen aan haaien die vooral overdag jagen.

Zeeleguanen, matige duikers

Lezing van Prof. dr. Fritz Trillmich van de Universiteit van Bielefeld

Vergeleken met beide oorrobben zijn zeeleguanen maar matige duikers. Niet zozeer vanwege de aanzienlijke tijd dat zij onder water kunnen blijven, zoals Charles Darwin tijdens zijn bezoek aan de Galápagos Eilanden in het najaar van 1835 ook al ontdekte, maar vooral gelet op de geringe duikdiepte, hooguit enkele tientallen meters, die ze doorgaans halen. Een diepte die natuurlijk alles te maken heeft met de diepte waarop hun hoofdvoedsel, vooral rood- en groenalgen, groeit. Soms hoeven ze zelfs niet eens het water in te gaan en zie je ze vlak boven water op de rotsen in de spatzone algen grazen. Geen slechte oplossing voor met name jonge zeeleguanen die niet alleen niet erg diep duiken, maar sowieso de nodige moeite hebben om na de longen met lucht volgezogen te hebben de bodem te halen. 

Erg lang houden de koudbloedige zeeleguanen het niet uit onder water. Na een half uur is hun lichaamstemperatuur zover gedaald dat zij het water moeten verlaten om op de lavarotsen met hopelijk een lekker zonnetje weer op temperatuur te komen. Met het gevaar dat zij oververhit raken en weer te water moeten om af te koelen.

Van zeeleguanen kun je al snorkelend of duikend gemakkelijk achterhalen, hoe diep ze duiken en hoe lang ze onder water blijven. Voor zeeleeuwen en pelsrobben is dat met de grote diepten die vooral de zeeleeuwen bereiken minder eenvoudig. Daarom rusten onderzoekers als Professor Trillmich hen uit met dieptemeters die op hun rug worden gelijmd en tijdens de eerstvolgende ruiperiode automatisch loslaten en eenmaal teruggevonden uitgelezen kunnen worden. 

Voortplanting en zorg voor nakomelingen

Qua voortplanting liggen soorten als de zeeleguaan enerzijds en zeeleeuw en pelsrob anderzijds mijlenver uit elkaar. Zeeleguanen zijn reptielen en leggen dus eieren. Die zijn opvallend groot, 70 tot 100 gram zwaar en dat voor een volwassen wijfje dat slechts enkele kilo’s weegt. Mannetjes zeeleguanen kunnen trouwens een stuk groter en zwaarder worden, de grootste exemplaren komen voor op de noordpunt van Isabela en kunnen, met een lengte van 1,3 meter, meer dan tien kilo zwaar worden, een tienvoud van de opvallend kleine zeeleguanen van het eiland Genovesa.

De vrouwtjes leggen één tot vier eieren in een zelf gegraven hol dat ongeveer een meter diep is en waar de jongen na ongeveer vier maanden uit het ei kruipen en zich een weg naar het aardoppervlak worstelen. De jonkies moeten meteen voor zichzelf zorgen en worden daarbij van alle kanten belaagd. Onder andere door de Galápagosbuizerd, de Galápagosvelduil, verschillende reigersoorten en de verschillende slangensoorten die op de Galápagos voorkomen. Bovendien hebben ze gevaar te duchten van verwilderde huisdieren zoals honden en katten. En wat te denken van de predatoren die zij onder water kunnen tegenkomen, zoals haaien en andere roofvissen. En, zeeleeuwen en pelsrobben!

De Galápagoszeeleeuw heeft een opvallend lang paarseizoen dat van augustus tot en met februari duurt, terwijl de periode waarin de jongen geboren worden zich zelfs van mei tot en met januari uitstrekt. Daarin verschilt de soort sterk van zijn naaste verwant, de Californische zeeleeuw. De wijfjes van die soort werpen hun jongen in de maanden mei, juni en juli en komen enkele weken na de geboorte van hun jong in oestrus en worden dan dus alweer gedekt. Bovendien hebben de mannetjes van de Galápagoszeeleeuw, de luidruchtige “beachmasters”, kleine harems, maximaal vier of vijf vrouwtjes en vaak zelfs niet meer dan één of twee. Terwijl de harems van de Californische zeeleeuw, met gemiddeld zestien vrouwtjes op één territoriaal mannetje, veel groter zijn. Duidelijk zal zijn dat bij beide soorten elk jaar weer een aanzienlijk deel van de mannetjes, vooral de jonge, het zonder wijfjes zal moeten stellen.

Maar er zijn nog meer verschillen. Californische pups drinken zes tot twaalf maanden bij hun moeder, hoewel zij ook gaandeweg die periode steeds vaker een visje meepikken. Galápagospups drinken echter beduidend langer bij hun moeder en niet zelden zie je twee of zelfs drie jongen van verschillende leeftijden bij hun moeder drinken. Professor Trillmich memoreerde zelfs een geval van een jonge Galápagoszeeleeuw die tot zijn zevende jaar bij zijn moeder dronk. Jongen zonder concurrentie van één of meerdere broertjes of zusjes hebben trouwens beduidend meer kans om hun kwetsbare jeugd door te komen.    

De Galápagospelsrob en de zuidelijke pelsrob verschillen in deze heel wat minder van elkaar. De wijfjes van beide soorten werpen hun jongen in de laatste maanden van het jaar en bovendien worden zij bij beide soorten al ongeveer een week na de geboorte van hun jong weer gedekt. Als je de verschillen tussen beide Galápagossoorten en hun respectievelijke verwanten met elkaar vergelijkt, dan verbaas je je er niet meer zo zeer over dat de Galápagoszeeleeuw al veel langer geleden, zo’n 2,5 miljoen jaar, als soort is ontstaan dan de Galápagospelsrob die nog maar enkele honderdduizenden jaren als soort bestaat.

Niet alleen natuurlijke vijanden vormen een gevaar

Zeeleeuw en pelsrob lopen het meeste risico, als zij in en onder water op voedsel jagen. Verschillende soorten haaien vormen een gevaar en een orka kunnen ze ook maar beter niet tegenkomen. Ook een zeeleguaan kan bij elke duik weer een predator als een haai of roofvis tegenkomen, om van de jonkies die boven water ook al zo worden belaagd, maar niet te spreken. Maar ook het moderne huidige Galápagos, met zijn bewoners, werkzaamheden en toeristen vormt een gevaar voor zijn eigen natuur. De steeds maar groeiende bevolking en de steeds maar stijgende stroom toeristen zorgen voor vervuiling, verstoring, conflicten met vissers en verkeersslachtoffers. Loslopende honden en katten die zich tegoed doen aan een jonge leguaan. En wat te denken van de verspreiding van een dodelijk virus dat de laatste jaren waarschijnlijk door loslopende honden is overgedragen op zeeleeuwen en vooral voor slachtoffers onder hun jongen heeft gezorgd.

Het laatste plaatje dat Professor Trillmich laat zien, toont een drijvend, aan de bodem verankerd plankier met daarop een twintigtal luierende zeeleeuwen. Een bewuste voorziening, zo blijkt, die moet voorkomen dat de zeeleeuwen één van de vele bootjes in de haven uitkiezen om van de zon te genieten. Met uiteraard alle problemen van dien.

Na de lezing van Professor Trillmich was er koffie en thee en de gelegenheid om het museum te bezichtigen, dat overigens zeker een bezoekje waard is. Kijk op www.hetnatuurhistorisch.nl voor meer informatie.