Vriendendag 2017

Evenals vorig jaar vond de Vriendendag ook dit jaar plaats in de Botanische Tuinen Utrecht. Die stond dit jaar in het teken van Charles Darwin, omdat eind september 2017 bij de KNNV Uitgeverij een nieuwe, geïllustreerde uitgave van “De Reis van de Beagle” verscheen, het beroemde reisverslag van Charles Darwin, in vertaling van Frank van der Knoop. Hierbij een weergave van de twee lezingen die tijdens deze Vriendendag werden gehouden.

“Wie was Charles Darwin?”

In deze lezing stipte Frans Engelsma, secretaris van de ”Galápagos Vrienden”, allereerst het jaar 2009 aan. Het jaar, waarin werd herdacht dat Charles Darwin 200 jaar geleden, op 12 februari 1809, was geboren en dat het 150 jaar geleden was dat de eerste druk van zijn beroemdste boek, “On the Origin of Species”, was verschenen. Ter gelegenheid van het Darwinjaar werden tal van boeken van en over Charles Daarwin (her-) uitgegeven, vonden speciale exposities plaats en werden talloze wetenschapsbijlagen in kranten en tijdschriften aan Darwin gewijd. Voor veel “Darwinisten” was het Darwinjaar zelfs de aanzet om het National History Museum in Londen te bezoeken, waar een speciale Darwin-expositie werd gehoude, en het zuid van Londen gelegen Downe, waar Darwins huis tegenwoordig een Darwin Museum huisvest. Wie was Charles Darwin eigenlijk en waarom werd hij zo beroemd?

Charles Darwin werd in Shrewsbury, niet ver van de grens met Wales, als vijfde in een gezin met zes kinderen geboren. Zijn vader Robert was, evenals grootvader Erasmus, huisarts. Zijn moeder Susanna was een dochter van Josiah Wegdwood, Brits pottenbakker en oprichter van het bekende Wedgwood concern. Charles was geen bijzondere leerling, hij ging liever de natuur in of met zijn oudere broer Erasmus scheikundeproeven uitvoeren. Vandaar zijn bijnaam “Gas”. Een studie geneeskunde in Edinburgh werd geen succes en ten einderaad zond vader Robert hem maar naar Cambridge om daar voor plattelandsdominee te gaan studeren. Tot zijn geluk kon hij naast de vakken die bij zo’n studie horen, ook vakken als geologie en botanie volgen en, wie weet, heeft juist dat hem gestimuleerd om al op 22-jarige leeftijd af te studeren als tiende van zijn jaar van 178 studenten.

Thuis gekomen uit Cambridge trof hij een brief van zijn hoogleraar botanie, prof. Henslow, aan met de mededeling dat een zekere Captain FitzRoy op zoek was naar een heer van stand met kennis van de natuur voor zijn reis rond de wereld met HMS Beagle. Vader Robert wilde aanvankelijk geen toestemming geven, gevaarlijk zo’n reis en wat word je er beter van, maar dankzij de argumenten van zijn zwager, oom Josiah, gaf hij toch toe. En Captain FitzRoy was gecharmeerd van Charles Darwin, ondanks het feit dat de vorm van zijn neus hem als frenoloog in eerste instantie niet aanstond.

De reis met de Beagle, een driemaster van 242 ton, 90 voet lang en 74 man aan boord, was vooral bedoeld om de wateren rond Zuid-Amerika (beter) in kaart te brengen. En hoewel de reis naar verwachting twee jaar in beslag zou nemen, werden het er bijna vijf. In die bijna vijf jaar maakte Darwin niet alleen kennis met het leven aan boord, slapen in een hangmat boven de kaartentafel en zeeziekte als er maar even deining stond, maar ook met bijzondere landen en volkeren. Bovendien kreeg hij steeds meer inzicht in geologische processen en stouwde hij kratten vol met gesteenten, planten en dieren die vaak al vanuit een verre haven naar Engeland werden gestuurd.

Hoewel Darwins naam voor altijd verbonden zal blijven met de Galápagos Eilanden, verbleef hij er maar vijf weken en zette hij op slechts vier eilanden voet aan wal. Hij vergat er zelfs bepaalde vondsten zorgvuldig te labelen. Zoals die van een aantal kleine vinkachtige vogeltjes, waarbij hij eenmaal terug in Engeland gelukkig kon terugvallen op het door Captain FitzRoy en anderen verzamelde materiaal. Ruim een eeuw later zouden die vinkachtigen, die wij tegenwoordig dus kennen als Darwinvinken, naar hem genoemd worden. Daartegenover staat dat bepaalde vondsten en waarnemingen, met name in Patagonië en op de Galápagos Eilanden, hem zeer zeker hebben geholpen op zijn pad dat uiteindelijk zou resulteren in zijn beroemdste publicatie.

Eenmaal terug in Engeland was het voor Darwin zaak om de hulp van deskundigen in te roepen om de overvloed aan materiaal te bestuderen en op naam te brengen en om zo een belangrijk aandeel te hebben in de publicaties over de reis van de Beagle die in de daarop volgende jaren zouden verschijnen. In 1840 trouwde de 30-jarige Charles met zijn één jaar oudere nicht Emma, dochter van oom Josiah. Zij gingen in Londen wonen, kregen er hun eerste twee van in totaal tien kinderen (waarvan drie vroegtijdig zouden overlijden) en verhuisden in september 1842 naar Down House. In de eerste jaren daarna zette Darwin zijn ideeën over “transmutation” (evolutie) op papier, maar met respect voor de zeer gelovige Emma stopte hij het opgerolde manuscript van 230 pagina’s en 52.000 woorden, samen met 400 pond en een brief “Wat te doen als ik overlijd?” in de kast onder de trap.

Wie weet zou dat manuscript daar voor de rest van zijn leven hebben gelegen, als er in juni 1858 niet een brief van Alfred Wallace uit het verre Oost-Indië op de deurmat was gevallen. Daaruit bleek dat Wallace ongeveer dezelfde ideeën had ontwikkeld over “transmutation” als Darwin. Hij besprak het met zijn vrienden, de geoloog Lyell en de botanicus Hooker en zij besloten beider ideeën op de eerstvolgende bijeenkomst van de Linnean Society in Londen te presenteren. Darwin was daarbij niet aanwezig, hij voelde zich zoals zo vaak onwel, maar duidelijk is dat de bijeenkomst niet veel opzien baarde. Hoe anders was dat toen op 24 november 1859 de eerste druk van “On the Origin of Species, by means of Natural Selection.” in een oplage van 1250 stuks binnen een dag uitverkocht was. Er zouden nog vijf bijgewerkte edities volgen, in totaal 12.500 exemplaren. Het zou wel het belangrijkste maar bepaald niet enige werk van Darwins hand zijn. Denk maar aan de verschillende uitgaven over de reis van de Beagle, een monografie over Cirripedia (zeepokken en eendenmossels), diverse boeken over planten en natuurlijk “The Descent of Man”.

Naarmate Darwin ouder werd, werd zijn gezondheid slechter en kwam hij nog maar een beperkt aantal uren per dag aan werken toe. Op 19 april 1882 stierf hij in Down House en het was de wens van Emma om hem zijn laatste rustplaats te geven op de begraafplaats rond het kerkje van Downe. Het mocht niet zo zijn. Op voorspraak van 22 parlementariërs werd hij op 26 april bijgezet in Westminster Abbey, in een graf naast dat van Isaac Newton en Charles Lyell. Eén van de dragers was Alfred Wallace...

Meer lezen over “Wie was Charles Darwin?”

1. Janet Brown, “Charles Darwin, Voyaging”, Princeton University Press, 1995.

2. Janet Brown, “Charles Darwin, The Power of Place”, Princeton University Press, 2002.

3. Adrian Desmond & James Moore, “Darwin, de Biografie”, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 1991.

4. Tim M. Berra, “Charles Darwin, The Concise Story of an Extraordinary Man” The John Hopkins University Press, 2009.

5. Charles Darwin, “De Autobiografie van Charles Darwin, 1809-1882”, Uitgeverij Nieuwezijds, 2000.

“Wat zag Darwin op de Galapagos?”

Zo luidt de titel van de hoofdlezing van de Vriendendag 2017, gepresenteerd door Caroline van der Mark, bestuurslid van de Galápagos Vrienden, die talloze malen de Galápagos Eilanden bezocht. Of zoals zij het zelf uitdrukt: “Vanmiddag neem ik u graag mee op reis naar Galápagos, aan de hand van verhalen en plaatjes terug in de tijd èn naar Galápagos zoals het nu is. Ik was zo gelukkig om daar als natuurgids te werken en als net afgestudeerd bioloog min of meer in de voetsporen van Darwin te varen, lopen en leven. Nota bene, zonder zeeziek te zijn!” En sindsdien bezocht zij regelmatig de archipel als reisleider met groepen natuurliefhebbende vakantiegangers. Uit de duizenden foto’s die zij er schoot, veelal nog in het dia-tijdperk, koos zij ruim honderd uit om haar relaas te illustreren. Met zorg, om zoveel mogelijk een beeld te scheppen dat overeenkomt met de indruk die Darwin er moet hebben opgedaan. Geen moderne schepen op de achtergrond of uitgezette wandelpaden in beeld, maar een ruig lavalandschap met zijn bijzondere plantaardige en dierlijke bewoners.

Veel mensen denken dat Darwin tijdens zijn bezoek aan Galápagos een soort van EUREKA-moment over evolutie had, maar dat is nauwelijks voorstelbaar. Tijdens de reis van de Beagle, die maar liefst 248 weken duurde, bracht hij immers slechts vijf weken door in de Galápagos Archipel en bezocht hij slechts vier eilanden: Chatham (tegenwoordig San Cristobal), Charles (Floreana), Albemarle (Isabela) en James (Santiago). HMS Beagle voer op 15 september 1835 de wateren van de archipel binnen om op 20 oktober de Galápagos Eilanden voorgoed achter zich te laten.

Vandaag de dag noemen we de Galápagos één van de laatste paradijzen op aarde, maar Darwin vond Galápagos slechts “hoogst opmerkelijk” en soms zelfs “zeer onaangenaam”. Hij zag er nog volop de sporen van de aantasting en slachting die de boekaniers en walvisvaarders hadden aangericht. Het woeste landschap dat vulkanisch van oorsprong is en dat hem met die talloze kraters deed denken aan delen van Staffordshire en Shropshire, een fabriekslandschap volgestouwd met ijzergieterijen, stelde hem teleur. Maar hij was zich er zeer zeker van bewust dat deze eilandengroep, zo’n 900 kilometer uit de kust van Zuid-Amerika gelegen, zeer bijzondere soorten huisvestte.

Zoals de zeeleguaan, een ruim een meter lang beest dat hij omschrijft als lelijk, dom en traag van beweging. Een matroos liet er eentje, verzwaard met een steen, in zee zakken, maar kwam er na bijna een uur achter dat het dier nog springlevend was. En toen Darwin er eentje meerdere keren achter elkaar in zee gooide, wist het dier niet hoe snel het weer aan land moest komen. Darwin wist waarschijnlijk nog niet dat zeeleguanen, na zich een half uur in en onder water te goed te hebben gedaan aan een lekker maal van rood- en groenalgen, maar wat graag weer aan land gaan om daar in de warme zon op te warmen. Bovendien, juist onder water loert het gevaar in de vorm van haaien en andere roofvijanden. Ook de landleguaan trok Darwins aandacht en hij merkt daarbij meteen op, hoe bijzonder het is om op zo’n verlaten eilandengroep twee zo nauw met elkaar verwante soorten die nergens anders voorkomen, aan te treffen.

Op San Cristobal en Santiago zag Darwin ook reuzenschildpadden en op laatstgenoemde eiland, waar hij ruim een week bivakkeerde bij een twintigtal vissers, at hij onder andere schildpaddenvlees. Al eerder, tijdens zijn bezoek aan Floreana waar de Beagle in Post Office Bay voor anker ging, had vice gouverneur Lawson hem verteld dat er verschillende eilandvormen waren en dat hij aan de vorm van het rugschild kon zien op welk eiland een bepaalde reuzenschildpad thuis hoorde.

Op Floreana waren zo’n 200 politieke gevangenen gehuisvest die er landbouw en veeteelt bedreven. Lawson onthaalde Captain FitzRoy en Darwin gastvrij en schotelde hen een waar feestmaal voor van tropische vruchten, geitenvlees, gezouten schildpaddenvlees en verse eieren. Floreana spotlijsters waren alom aanwezig in de hoop een graantje mee te kunnen pikken. Tegenwoordig komt de Floreana spotlijster alleen nog maar op een tweetal nabij gelegen eilandjes voor en bovendien is het niet waarschijnlijk dat Darwin er de reuzenschildpad heeft gezien. Hij vermeldt het nergens en de Floreana-soort is halverwege de 19e eeuw uitgestorven, waarbij niet alleen de mens zelf maar ook de voedselconcurrentie van de (verwilderde) geiten een rol hebben gespeeld.

Onder andere de verschillende soorten spotlijsters, verdeeld over een aantal eilanden en waaronder dus de Floreana spotlijster, zouden een belangrijke rol spelen om Darwin in de loop van de jaren op het spoor te zetten van de “transmutatie” (evolutie). In ieder geval in veel grotere mate dan de vinken die we tegenwoordig Darwinvinken noemen en waarvan Darwin verschillende soorten gezien en verzameld heeft, helaas zonder ze te voorzien van een label met daarop vermeld de vindplaats (eiland). Gelukkig hadden Captain FitzRoy en enkele andere opvarenden dat wel gedaan en mede dankzij hun gegevens kon de ornitholoog/illustrator John Gould in Londen de verschillende soorten alsnog benoemen en Darwin melden dat zij behoorden tot een grote familie van vinken die nieuw voor de wetenschap waren.

Een groot aantal soorten, planten en vooral dieren, passeert vervolgens de revue. Zoals de grote (rode) flamingo, de Galapagos buizerd (fraaie foto van een buizerd op het rugschild van een reuzenschildpad!), de lavameeuw (maar 300 tot 400 paartjes!) en zwaluwstaartmeeuw, de bruine pelikaan, Galapagos albatros, verschillende soorten reigers en natuurlijk de blauwvoetgent. Maar er zijn ook soorten die Darwin helemaal niet vermeldt en, naar wij moeten aannemen, nooit heeft gezien. Zoals de (niet-vliegende) Galápagos aalscholver, de Galápagos pinguin en de twee soorten zeeleeuwen die er voor komen. Over de laatste twee, de Galápagos zeeleeuw en de Galápagos pelsrob, komt nog een kleine discussie op gang. Waren ze er nog wel in Darwins tijd? Waarschijnlijk wel maar het is even waarschijnlijk dat beide soorten toentertijd sterk in aantal waren gedecimeerd als gevolg van de meedogenloze jacht die de walvisvaarders sinds het eind van de 18e eeuw hadden uitgeoefend. Niet alleen op walvissen en vooral de potvis, maar ook op beide soorten zeeleeuwen vanwege hun pels en olie. Soms werden wel 5.000 tot 8.000 pelzen per schip afgevoerd! Als je tegenwoordig op de Galápagos Eilanden ziet in welke aantallen vooral de Galápagos zeeleeuw voorkomt, dan mag je rustig stellen dat beide soorten zich aardig in aantal hebben hersteld.

Meer lezen over “Wat zag Darwin op de Galapagos?”

K. Thalia Grant and Gregory B. Estes, “Darwin in Galapagos. Footsteps to a new world.” Princeton University Press, 2009.