Geschiedenis


De ontdekking van de Galápagos Eilanden

De kaart van boekanier Cowley uit 1684

Er wordt wel eens beweerd dat zeevarende Inca’s de Galápagos Eilanden als eerste ontdekten, maar algemeen wordt aangenomen dat Fray Tomás de Berlanga, bisschop van Panama, de eer toekomt de ontdekker van de archipel te zijn. In maart 1535 voer hij van Panama naar het pas gestichte Lima om daar recht te spreken. Het Spaanse schip raakte echter op drift en bij toeval kwam het terecht in de wateren rond de ‘Islas Encantadas’, ofwel de Betoverde Eilanden, die zich af en toe in mistflarden lieten zien.

Gekweld door honger en vooral dorst ging de bemanning aan land en als bij toeval vond men op 14 maart 1535, eerste Paasdag, zoet water. Het was hun redding. Met twee man en tien paarden minder, zij hadden het avontuur niet overleefd, zette de bisschop koers naar het vasteland. Daar kwam hij op 9 april aan voor zijn rendez-vous met de leider van de conquistadores, generaal Pizarro.  

Bisschop De Berlanga rapporteerde uitgebreid aan de Spaanse koning en in 1570 verscheen één van de eerste kaarten waarop de “Ysolas de los Gallopegos” waren terug te vinden. De naam Gallopegos, tegenwoordig Galápagos, is ontleend aan ”galápago”, het oud-Spaanse woord voor dameszadel, waaraan de vorm van het rugschild van de enorme landschildpadden deed denken.  

Boekaniers

In de 17e eeuw breidden de Spaanse handelsroutes zich uit tot Zuid-Amerika, waar de Spaanse vloten zich vulden met goud- en zilverschatten en koers zetten naar Centraal Amerika om vandaar richting Spanje te varen. Geen wonder dat die zilvervloten piraten aantrokken. De piraten of boekaniers werden vaak gesteund door hun thuislanden, voornamelijk Engeland, Frankrijk en Nederland. Bekende boekaniers waren de Britten Sir Francis Drake en William Dampier en de Nederlanders Jacob Clerk en natuurlijk Piet Hein.

Al snel werden de Galápagos Eilanden een belangrijk toevluchtsoord voor de boekaniers in de Grote Oceaan. Men vond er zoet water en vers voedsel; dat laatste vooral in de vorm van reuzenschildpadden die je maandenlang, opgestapeld in het ruim en zonder ze eten of drinken te geven, in leven kon houden. Schattingen geven aan dat dit het overgrote deel van de reuzenschildpadden de kop moet hebben gekost.

Walvisvaarders

Na de piraten kwamen de walvisvaarders, die eind 18e eeuw hun intrede deden op de Galápagos Eilanden. Doordat de Atlantische Oceaan vrijwel leeggevist was, verplaatsten zij hun jachtgebied naar de oostelijke wateren van de Stille Oceaan, waar zij het vooral op de potvis hadden voorzien. Bovendien maakten ze jacht op de Galápagos pelsrob, die zij in overvloed op en rond de eilanden aantroffen. De walvistraan van de potvissen en het vet van de pelsrobben werden als brandstof voor olielampen gebruikt. Uit die tijd stamt ook het beroemde boek Moby Dick van de hand van de Amerikaanse schrijver Herman Melville, dat gaat over een albino potvis die het schip van kapitein Ahab tot zinken brengt. Melville zette zelf overigens in 1841 voet aan wal op wat hij in één van zijn eerste novellen de “Enchanted Islands” noemde.

De walvisvaarders decimeerden niet alleen de potvis en pelrsob, maar ook de reuzenschildpadden, die ze evenals de boekaniers als vers voedsel in hun ruim meenamen. Bovendien droegen de walvisvaarders en de boekaniers eraan bij dat tal van planten en dieren op de Galápagos terechtkwamen die er niet thuishoorden. Onder andere ratten, muizen en later ook geiten, honden en katten beïnvloedden en veranderden de natuur op de eilanden en dreven veel inheemse soorten in het nauw.

De eerste kolonisten

Hoewel de eilanden al eeuwenlang sterk werden beïnvloed door de mens, duurde het tot de 19e eeuw voordat de eerste kolonisten arriveerden. Begin 19e eeuw ontworstelde Zuid-Amerika zich aan de Spaanse overheersing. Groot-Colombia, het ideaal van vrijheidsstrijder Simón Bolivar, werd gesticht, maar viel in 1830 uiteen in Venezuela, Colombia en Ecuador. Generaal Juan José Flores, Venezolaan van geboorte, werd de eerste president van Ecuador, met Quito als hoofdstad. In 1831 stelde generaal José Villamil voor aan president Flores om de Galápagos Eilanden te annexeren. De president stemde ermee in en op 12 februari 1832 werden de eilanden uitgeroepen tot Archipiélago del Ecuador, met als voorlopige hoofdplaats het eiland Charles dat werd herdoopt tot Floreana. Generaal Villamil werd benoemd tot de eerste gouverneur.

Al snel arriveerden de eerste bewoners, een groep soldaten die na een mislukte coup naar Floreana werd verbannen. Ze vestigden zich in het hoogland van Floreana en bekwaamden zich in het kweken van groenten en fruitbomen en in het houden van vee. Al snel ontsnapte een deel van de geiten en varkens en samen met verwilderde honden en katten vormden zij al snel de aanzet tot de verdere aantasting van de kwetsbare natuur op het eiland.

Een succes is deze eerste nederzetting nooit geworden en in 1852 kon hij zelfs als mislukking worden beschouwd. Bovendien hadden verschillende bewoners zich in de tussenliggende jaren ook al elders in de archipel gevestigd. Soms tijdelijk, zoals op Santiago en Santa Cruz, maar ook blijvend, zoals op San Cristóbal.

Charles Darwin


Een bekende en vaak aangehaalde episode is het bezoek van Charles Darwin aan de archipel. Van 15 september tot 20 oktober 1835 bezocht de jonge natuurvorser de Galápagos Eilanden, tijdens zijn reis aan boord van de HMS Beagle. Terwijl de bemanning van de Beagle de archipel in kaart bracht, bezocht Darwin, soms in gezelschap van kapitein FitzRoy, enkele eilanden. 

Charles Darwin in 1880

Zo zette hij voet aan wal op Chatham Island (San Cristóbal), Charles Island (Floreana), Albemarle Island (Isabela) en James Island (Santiago). Hij verzamelde er tal van bijzondere planten en dieren, bestudeerde de geologie van de archipel en sprak op Floreana met vice-gouverneur Nicholas Lawson, die hem en FitzRoy bijzonder gastvrij onthaalde. De Engelsman Lawson kende de archipel op zijn duimpje en vertelde onder andere over onderlinge verschillen tussen de reuzenschildpaddenpopulaties. Hij beweerde zelfs dat hij aan de hand van de vorm van het rugschild kon zien op welk eiland een reuzenschildpad thuishoorde.

Van de waarnemingen van Darwin op de Galápagos Eilanden zijn die van de vinkensoorten (eigenlijk gorzen in het Nederlands) het bekendst. De snavels van de vinken bleken per eiland te verschillen, al naar gelang het aanwezige voedsel op het eiland. Maar ook zijn waarnemingen van spotlijsters, land- en zeeleguanen en reuzenschildpadden hebben zeer zeker een rol gespeeld bij de ontwikkeling van Darwin’s evolutietheorie. 

Die deed hij overigens pas meer dan 20 jaar later, op 24 november 1859, uit de doeken in zijn beroemde werk On the Origin of Species by Means of Natural Selection.

Natuurvorsers en verzamelaars

Na Charles Darwin bezochten tal van natuurvorsers en verzamelaars de Galápagos Eilanden, waarbij studie en verzamelen vaak hand in hand gingen. Al in de tweede helft van de 19e eeuw bezochten bijvoorbeeld de aan Harvard verbonden Zwitserse zoöloog Louis Agassiz en de Britse verzamelaar Lord Rothschild de Galápagos Eilanden, de laatste eerst vanuit Engeland en rond 1900 vanuit de VS. Tot de bekendste bezoekers in de 20e eeuw behoren de Amerikaan William Beebe en de Britse ornitholoog David Leck, die in 1947 met zijn boek Darwin's Finches nieuwe bekendheid gaf aan het werk van Darwin.

In de loop van de 20e eeuw en met name na de Tweede Wereldoorlog groeiden de zorgen over de aantasting van de natuur op de Galápagos Eilanden. Na de boekaniers en de walvisvaarders hadden ook de verzamelaars een forse aanslag gepleegd op de natuurlijke schatten van de archipel. Het werd hoog tijd om orde op zaken te stellen en beschermende maatregelen te nemen. Meer daarover onder het kopje natuurbehoud.