Natuurbehoud

De desastreuze invloed van de mens

De geschiedenis van natuurbehoud op Galápagos staat voor een groot deel in het teken van de bestrijding van geïntroduceerde dier- en plantensoorten die een bedreiging vormen voor het kwetsbare leven op de eilanden. Voordat de mens op de Galápagos arriveerde, bepaalden louter natuurlijke omstandigheden welke levensvormen er zich konden vestigen en ontwikkelen. Zeestromen en heersende winden voerden planten en dieren aan en de vaak bizarre omstandigheden op de aanvankelijk levenloze archipel maakten uit, of soorten er wel of niet konden overleven. En uit de soorten die er konden gedijen, ontwikkelden zich de levensvormen die wij er nu aantreffen en die de Galápagos zo bijzonder maken. In de bijna 500 jaar die zijn verlopen sinds bisschop Fray Tomás de Berlanga en zijn gevolg er bij toeval voet aan wal zetten, heeft de mens er zijn invloed aan toegevoegd en nu, aan het begin van de 21e eeuw, beseffen wij maar al te goed, hoe desastreus die invloed is geweest.

Het begon met de dieren die de zeevarenden, de boekaniers en walvisvaarders die de Galápagos Eilanden aandeden, er soms bewust maar meestal onbewust achterlieten. Veel schepen hadden muizen en ratten aan boord en er hoefden maar een paar aan land te komen om de aanzet tot een hele eilandpopulatie te geven. Voeg daarbij een paar ontsnapte scheepskatten en een stel aan land gezette geiten, zoals die eerste vier die door Captain David Porter van het Amerikaanse fregat de Essex in 1813 op James Island, het huidige Santiago, werden uitgezet, en het kwaad is geschied.

Een ware slachting

Maar de boekaniers en walvisvaarders die de Galápagos Eilanden in de 17e, 18e en 19e eeuw met grote regelmaat aandeden, hebben meer op hun geweten. Of je hen dat kwalijk mag nemen, is zeer de vraag. Zij bezochten de archipel immers om bij te komen van de ontberingen op zee en om zoet water en vers voedsel in te nemen. Als vers voedsel waren vooral de reuzenschildpadden in trek. Je kon hen in het ruim naast en op elkaar stapelen en enkele maanden in leven houden, zonder dat je hun eten of drinken hoefde te geven. Het kostte het overgrote deel van de schildpaddenpopulatie op de Galápagos de kop. Van de oorspronkelijk meer dan 200.000 reuzenschildpadden waren er eind 20e eeuw nog zo’n 15.000 over…

Post Office Bay bij Floreana, pleisterplaats voor walvisvaarders.

Eind 17e eeuw verplaatsten de walvisvaarders hun jachtgebied van de praktisch leeg geviste Atlantische Oceaan naar de oostelijke Stille Oceaan, waar ze een overvloed aan potvissen aantroffen, een gewilde prooi vanwege hun spermaceti-olie. Bovendien troffen zij op en rond de Galápagos Eilanden ook nog eens talloze pelsrobben en zeeleeuwen aan, waarop zij intensief jacht maakten vanwege hun kostbare pels en olie. Zo intensief zelfs dat Charles Darwin tijdens zijn bezoek aan de Galápagos Eilanden in het najaar van 1835 met geen woord over pelsrobben en zeeleeuwen rept. Waarschijnlijk heeft hij ze wel gezien, maar veel kunnen het niet geweest zijn. Eind 19e eeuw is met name de Galápagospelsrob op een haar na uitgestorven en het mag een wonder heten dat zich sindsdien weer een flinke populatie van ruim 20.000 dieren heeft opgebouwd. Van de Galápagoszeeleeuw wordt het huidige aantal op meer dan het dubbele geschat.

Charles Island (Floreana), de eerste nederzetting

Darwin bezocht in de Galápagos vier eilanden, waaronder Charles Island, het huidige Floreana. Hij werd er samen met Captain Robert FitzRoy gastvrij ontvangen door de vice-gouverneur, de Engelsman Nicholas Lawson. Charles Island was het eerste eiland van de archipel met min of meer permanente bewoning. De regering van de jonge republiek Ecuador had in 1832 enkele honderden politieke gevangenen naar het eiland verbannen en zij leidden er een eenzaam bestaan ver van hun families op het vasteland, verbouwden er groenten en tropische vruchten, hielden varkens en geiten, maakten jacht op reuzenschildpadden en visten in de oceaan rondom. Het project op Charles Island was echter geen succes en werd rond 1840 beëindigd.

Maar in die korte periode van nog geen tien jaar was er grote schade aangebracht aan natuur en landschap op het eiland. Darwin maakt geen melding van reuzenschildpadden op Charles Island, men mag aannemen dat hij ze niet gezien heeft. Waarschijnlijk bestond de specifieke soort tijdens zijn bezoek nog wel, maar was hij al zeldzaam en is hij in de jaren zeventig van de 19e eeuw uitgestorven. Ook de Floreana spotlijster die Darwin wel zag en waarvan hij zelfs een tweetal verzamelde, is sindsdien van het eiland verdwenen en komt nu alleen nog voor op een tweetal voor de kust van Floreana gelegen eilandjes, Champion en Gardner. Naar de oorzaak van het verdwijnen van deze en andere soorten kan slechts gegist worden, maar vaststaat dat de mens daarbij een belangrijke, negatieve rol heeft gespeeld, onder andere in de vorm van de jacht, het laten verwilderen van geiten en varkens en het verbouwen van ‘eilandvreemde’ gewassen.

Natuur en landschap, even uniek als kwetsbaar

Ook tegenwoordig bevindt zich een kleine woonkern met zo’n 150 inwoners op Floreana. Het is, samen met Santa Cruz, San Cristóbal en Isabela, één van de vier bewoonde eilanden binnen de archipel. En wellicht zou je het pal noord van Santa Cruz gelegen Baltra, het eiland  met de grootste luchthaven in de Galápagos, ook bewoond kunnen noemen. 

In de loop van de 20e eeuw kwam gaandeweg het besef dat natuur en landschap op de Galápagos Eilanden even uniek als kwetsbaar zijn. In 1935, 100 jaar na Darwins bezoek aan de Galápagos, nam de regering van Ecuador voor het eerst een wet aan ter bescherming van de planten en dieren in de archipel. In 1959, 100 jaar na het uitkomen van de eerste druk van Darwins On the Origin of Species, werd het Galápagos National Park gesticht en de Charles Darwin Foundation opgericht. In 1962 opende het Charles Darwin Research Station zijn deuren. Hier kregen bezoekende wetenschappers uit de hele wereld onderdak en werden natuurgidsen opgeleid. In 1998 werd het bestaande zeereservaat vergroot door de zone rondom de archipel tot 40 mijl uit te breiden.

De beschermde status van 97% van het totale eilandenoppervlak en van het zeegebied rondom vormen samen met de Charles Darwin Foundation de basis voor natuurbehoud in de Galápagos. De realiteit zal moeten uitwijzen, of dat voldoende zal zijn.

Eilandvreemde soorten: van frambozen uit India tot olifantsgras uit Afrika 

Kleine ani op de rug van een reuzenschildpad. Foto: Flickr.com / Joanne Goldby.

De lijst van “eilandvreemde soorten” op de Galápagos Eilanden is indrukwekkend. De muizen, ratten, honden, katten en geiten die de mens de afgelopen paar honderd jaar introduceerde, werden in de loop van de 20e eeuw gevolgd door een groot aantal ‘nieuwe’ soorten. Een greep:

  • Blackberry ofwel framboos (Rubus niveus). Verwant aan onze braam en afkomstig uit India. Via Zuid-Afrika en Zuid-Amerika in 1968 terecht gekomen op de Galápagos, waar hij veel endemische planten dreigt te overwoekeren. De soort wordt bestreden door de struiken met de hand te verwijderen, een enorme klus.
  • Olifantsgras (Pennisetum purpureum), afkomstig uit Afrika en door de boeren op de Galápagos aangeplant als voedsel voor hun vee. Het enkele meters hoge gras laat zich echter moeilijk intomen. Bovendien eten de reuzenschildpadden ervan, met alle problemen voor hun vertering.
  • De kleine ani (Crotophaga ani). Vogel die door de boeren is overgebracht van het vasteland van Zuid-Amerika naar de Galápagos, ter bestrijding van huidparasieten bij vee. Helaas doet de vogel zich niet alleen tegoed aan huidparasieten, maar voedt hij zich ook met pas uit het ei gekropen kuikens van onder meer Darwinvinken.
  • Dan is er nog een hele reeks van hinderlijke en / of schadelijke insectensoorten, van vuurmieren en papierwespen tot kakkerlakken. En een tweetal zeer schadelijke soorten die het voortbestaan van endemische planten- en diersoorten in gevaar brengen zijn de Cottony Cushion Scale (de wolschildluis Icerya purchasi) en de parasitaire vlieg Philornis downsi, die op dit moment het voortbestaan van de mangrovevink ernstig bedreigt (zie onder).

Bestrijding

De vraag is, hoe je dergelijke eilandvreemde soorten het best kunt bestrijden. Een aantal kleine eilandjes, met Pinzón in 2007 als eerste, is inmiddels met behulp van door een Amerikaans bedrijf beschikbaar gestelde bestrijdingsmiddelen vrij gemaakt van muizen en ratten. Eenvoudig was deze vorm van bestrijding niet. Zo moesten alle Galápagosbuizerds tijdelijk in opvangkooien geplaatst worden, om te voorkomen dat zij zich tegoed zouden doen aan vergiftigde muizen en ratten. Bepaald geen eenvoudige operatie!

De bestrijding van verwilderde geiten werd heel wat rigoureuzer aangepakt. Al in 1961 werd Plaza Sur geitenvrij gemaakt en nadien volgden negen andere eilanden, waaronder grote zoals Santiago en Isabela. In totaal werden bijna 270.000 geiten geruimd, waarbij gebruik werd gemaakt van honden, “Judas-geiten” om de nog op het eiland aanwezige geiten te lokken en zelfs helikopters. Dat het geen eenvoudige klus was om de archipel geitenvrij te maken, maakt onderstaande video van de BBC duidelijk. Alleen al op Isabela nam de operatie tien jaar in beslag, van 1995 tot 2005. De Vrienden van de Galápagos Eilanden ondersteunden het project destijds met een donatie van $ 25.000.  

Biologische bestrijding van de wolschildluis

De wolschildluis Icerya purchasi, die van nature voorkomt op het vasteland van Zuid-Amerika, voedt zich met plantensappen en belemmert daarmee de groei van zijn gastheer, de plant waarop hij parasiteert. In 1982 werd hij voor het eerst op de Galápagos aangetroffen. Het is niet bekend of hij is “meegebracht” door de mens of met de wind is aangevoerd. In ieder geval zijn tot nu toe meer dan 60 endemische plantensoorten geïnfecteerd.

In 2002 werd het Australische lieveheersbeestje Rodolia cardinalis op een tiental Galápagos Eilanden uitgezet om de wolschildluis te bestrijden. Daar was een uitgebreid onderzoek aan voorafgegaan om te voorkomen dat andere, endemische insectensoorten het slachtoffer zouden worden. Sindsdien heeft het lieveheersbeestje zich ook naar andere eilanden verspreid en zich bewezen als een effectieve bestrijder van de wolschildluis op endemische soorten als mangrove, acacia en scalesia.

Staat de mangrovevink op uitsterven?

De mangrovevink, één van de 13 soorten Darwinvinken, is de meest bedreigde vogelsoort op de Galápagos Eilanden. Momenteel leven er nog 60 tot 80 exemplaren in een tweetal piepkleine mangrovebosjes op Isabela, samen goed voor nog geen 30 hectare. Hun voortbestaan wordt in gevaar gebracht door de parasitaire vlieg Philornis downsi. Die werd voor het eerst in de jaren zestig van de vorige eeuw op de Galápagos aangetroffen en legt haar eitjes in het nest van een groot aantal vogelsoorten, waaronder tien soorten Darwinvinken. De larven voeden zich met het bloed van de kuikens en zorgen ervoor dat er nauwelijks of geen jongen overleven. Er is dus weinig fantasie voor nodig om in te zien dat het optreden van de parasitaire vlieg het einde van de mangrovevink zou kunnen betekenen. Omdat bestrijding met insecticiden grote risico’s met zich meebrengt, heeft men enkele jaren geleden in samenwerking met de San Diego Zoo voor een alternatieve oplossing gekozen. De eitjes worden uit het nest gehaald en kunstmatig uitgebroed in het Charles Darwin Research Station op Santa Cruz. Als de jonge vinkjes sterk genoeg zijn, worden zij teruggebracht naar Isabela en daar in hun natuurlijke biotoop teruggezet. Op deze wijze is de populatie in 2014 met maar liefst 15 mangrovevinkjes uitgebreid. Tevens werd een begin gemaakt om toch heel voorzichtig gebruik te maken van een bestrijdingsmiddel door de nestelende vinkjes in insecticide gedompelde katoenpluisjes aan te bieden. In de hoop dat zij dat als nestelmateriaal gaan gebruiken en zo de vlieg buiten hun nest houden. Bekijk hier een video van de Charles Darwin Foundation over de bestrijding van de vliegen: