Oorsprong van het leven op Galapagos

De oorsprong van het leven op de Galápagos

Landschap op het eiland Santa Cruz. Foto: A. Harmanny

De Galápagos Eilanden hebben hun ontstaan te danken aan de hotspot die al gedurende meer dan tien miljoen jaar actief is (zie ontstaan). Maar hoe kwamen die meer dan honderd levenloze, vulkanische eilanden in de Stille Oceaan tot leven? Hoe zijn planten als de Palo Santoboom of de talloze variëteiten van de schijfcactus Opuntia er terecht gekomen? En op welke wijze zijn reptielen als de reuzenschildpadden, land- en zeeleguanen of vogels als de Darwinvinken en spotlijsters er verzeild geraakt? De eilanden liggen tenslotte meer dan duizend kilometer uit de kust van Zuid-Amerika, voor de meeste dieren en planten een afstand die niet te overbruggen is. Toch zijn er planten en dieren geweest die de oversteek overleefden en zich succesvol wisten voort te planten.

De oorsprong van de planten op de Galápagos

Planten verspreiden zich via sporen (mossen en varens) of zaden (zaadplanten), die worden meegevoerd door wind of water. Maar ook dieren zijn in staat om zaden te verspreiden, vastgehecht aan hun vacht of veren, of door vruchten te eten en de zaden na verloop van tijd uit te poepen. Charles Darwin probeerde in zijn plantenkas achter Down House in Engeland al uit te vinden hoe lang bepaalde zaden hun kiemkracht in zeewater behouden. Soms meerdere weken, zo ontdekte hij. Maar verreweg de meeste sporen en zaden gaan verloren boven of in de eindeloze oceaan en slechts weinige zullen op de Galápagos Eilanden terecht gekomen zijn.

En als ze er bij hoge uitzondering toch belandden, wat dan? Voor de meeste soorten waren de omstandigheden bepaald vijandig. Een ruige, vulkanische bodem en een onherbergzaam klimaat, waar ze weinig of geen kans hadden om te kiemen, laat staan zich voort te planten. Een beperkt aantal soorten slaagde er echter in om te overleven en zij waren de pioniers die de aanzet vormden voor de bijzondere soorten die we er nu aantreffen. Zoals de mangrovebossen van de kustzone en de Palo Santobomen en de diverse Opuntiasoorten van de daarboven gelegen droge zone. Of, in de vochtige zone daar weer boven, de 15 tot 20 meter hoge bomen van het geslacht Scalesia, waarvan de takken dicht bezet zijn met tientallen soorten epifyten, zoals mossen, varens, bromelia’s en orchideeën.

De oorsprong van de dieren op de Galápagos

En hoe zijn de dierlijke bewoners er terecht gekomen? Goede vliegers ongetwijfeld door de lucht en goede zwemmers zoals zeeleeuwen zwemmend. Maar ook de voorouders van de landdieren die we op de Galápagos Eilanden aantreffen, moeten ooit de duizend kilometer oceaan overbrugd hebben. Hoewel het niet erg voor de hand ligt dat ze dat zwemmend hebben gedaan, was zo’n oversteek ook voor hen wel degelijk mogelijk. Op een boomstam of een stevige tak bijvoorbeeld, of op een drijvende plag vegetatie. Deze manier van verspreiding wordt in het Engels rafting genoemd, oftewel een oversteek per vlot. Ook in dit geval geldt dat de kans zeer klein is dat een dergelijk vlot op een nietige archipel als de Galápagos terechtkomt en dat de passagiers de oversteek overleven. Gezien het gebrek aan zoet water tijdens de reis, waren het vooral reptielen die de Galápagos op deze manier bereikten. Reptielen kunnen namelijk veel langer zonder water dan zoogdieren.

Vogels

Zeevogels als de blauwvoetgent (bekender onder de Engelse naam blue footed booby) en andere Jan-van-Genten, fregatvogels en de Galápagos-albatros zijn voortreffelijke vliegers, voor wie zo’n oversteek niet veel voorstelt. Dat wordt nog eens onderschreven door een soort die heel recent op de Galápagos Eilanden is terecht gekomen: de koereiger. 

Een blauwvoetgent. Foto: F.J. Engelsma

Van oorsprong komt die voor in Afrika, maar vandaar heeft hij zich verspreid over Europa, Azië en zelfs Australië. In de jaren dertig van de vorige eeuw is hij tenslotte ook de Atlantische Oceaan overgestoken om Zuid-Amerika en later ook Midden- en Noord-Amerika in te trekken. Ook heeft hij de sprong naar de Galápagos Eilanden gemaakt, waar hij in de jaren zestig voor het eerst werd gespot en zich in de jaren tachtig voor het eerst voortplantte. Op eilanden als Santa Cruz en San Cristóbal zie je hem met regelmaat tussen de koeien op jacht naar insecten.

Maar lang niet alle vogels zijn zulke goede vliegers. De voorouders van de Darwinvinken en spotlijsters hebben de Galápagos Eilanden waarschijnlijk alleen kunnen bereiken met een stormachtige wind in de rug (en hoe vaak zal zo’n overtocht niet mislukt zijn?). De naaste verwant van de spotlijster komt op het vasteland van Zuid-Amerika voor, maar die van de Darwinvinken moeten we heel wat verderop zoeken, namelijk in het Caraïbisch gebied. Waarschijnlijk hebben hun voorouders zich eerst over delen van Zuid-Amerika verspreid om vervolgens, zo’n twee tot vier miljoen jaar geleden, op de Galápagos Archipel verzeild te raken.

Ook zijn er twee niet-vliegende vogelsoorten op de Galápagos: de Galápagospinguin (verwant aan de Humboldtpinguin die in het zuiden langs de kust van Peru en Chile voorkomt) en de niet-vliegende Galápagosaalscholver, wiens voorouder ongetwijfeld kon vliegen maar die in zijn nieuwe omgeving zonder noemenswaarde vijanden zijn vliegvermogen heeft verloren. Al zwemmend en duikend komt hij net als de pinguïn aan zijn viskostje en vliegen was en is ook voor hem volstrekt overbodig.

Reptielen

Voor reptielen, evenals voor de weinige zoogdieren die op natuurlijke wijze op de Galápagos zijn terecht gekomen, komt eigenlijk alleen maar rafting in aanmerking om van het vasteland naar de eilanden over te steken. Maar daarbij is het goed te bedenken dat het een aantal miljoenen jaren geleden niet om reuzenschildpadden of om land- en zeeleguanen ging, maar om hun verre voorouders. De reuzenschildpadden zijn pas op de Galápagos Eilanden geëvolueerd tot de veertien soorten die er tot de komst van de mens voorkwamen en waarvan er nu, na de dood van Lonesome George in juni 2012, nog tien soorten in leven zijn. Hun verre voorouders, die een aantal miljoenen jaren geleden bij toeval op de Galápagos terecht kwamen, waren schildpadden van bescheiden afmetingen. Een daaraan verwante soort komt ook nu nog voor op het vasteland van Zuid-Amerika, in het grensgebied van Noord-Argentinië en Bolivia.

Als gezamenlijke voorouder van de land- en zeeleguaan komt een inmiddels uitgestorven verwant van de groene leguaan in aanmerking, een soort die in grote delen van Zuid- en Midden-Amerika algemeen voorkomt.

Zoogdieren

De twee soorten zoogdieren die je als bezoeker van de Galápagos Eilanden doorgaans tegenkomt, de Galápagoszeeleeuw en (minder vaak) de Galápagospelsrob of -zeebeer, hebben de archipel ongetwijfeld zwemmend bereikt. De Galápagoszeeleeuw, een nauwe verwant van de Californische zeeleeuw, is vanuit het noorden gekomen. De Galápagospelsrob, familie van de Zuidelijke pelsrob, kwam vanuit het zuiden. Een belemmering voor de verspreiding van deze soorten was het relatief warme water rond de evenaar. Vooral in een El Niñojaar, als de temperatuur van het zeewater rond de evenaar in november tot en met maart hoger is dan normaal, is het voor viseters als de zeeleeuw en pelsrob extra moeilijk om aan voedsel te komen en legt een groot aantal het loodje.

Verder komen er op de Galápagos rijstratten voor, die er via rafting terecht zijn gekomen, en enkele soorten vleermuizen, die de oversteek vliegend moeten hebben gemaakt. En, tot slot, de bruine en zwarte rat en de muis die met de mens aan boord van schepen op de Galápagos Eilanden zijn beland.  

Galápagos, evolutieparadijs

Door hun wijze van ontstaan en hun geïsoleerde ligging zijn de Galápagos Eilanden een waar evolutieparadijs geworden. Relatief weinig soorten wisten de oversteek succesvol te maken en waarschijnlijk nog minder voelden er zich thuis. Maar als ze zich er eenmaal hadden gevestigd, dan kregen ze alle gelegenheid om zich aan te passen aan de bijzondere omstandigheden ter plaatse. Juist die afwijkende omstandigheden leidden ertoe dat ze steeds meer begonnen te vervreemden van hun oorspronkelijke soortgenoten op het vasteland. Ook subgroepjes die op verschillende eilanden terechtkwamen en zo van elkaar geïsoleerd raakten, gingen steeds meer onderlinge verschillen vertonen, zowel in uiterlijk als gedrag. Zo verloren veel dieren hun schuwheid, door de vrijwel volledige afwezigheid van landroofdieren. Veel soorten zijn dan ook tot op de dag van vandaag zeer benaderbaar, tot genoegen van de toeristen.

Kortom, er ontwikkelde zich een eilandenrijk met tal van soorten die alleen op de Galápagos voorkomen. En soms met een scala aan verschijningsvormen op de verschillende eilanden, op elkaar lijkend en toch van elkaar verschillend.